Les 5 — De RLC-parallelketen
- Vak
- Elektriciteit
- Klas
- 5TWE
- Leerplandoel
- LPD 17 / 39
- Onderdeel
- 5 van 8RLC-blok
Sluit een spoel en een condensator parallel aan op een bron, stel de juiste frequentie in en meet wat de bron levert: bijna niets. Klem daarna een ampèremeter in de spoel zelf en je leest ampères af. Er draait stroom rond in een kring die van buitenaf nauwelijks iets lijkt op te nemen. Dat is het spiegelbeeld van de overspanning uit les 4 — en je hebt deze les nodig om te zien waarom.
- uitleggen waarom in een parallelketen de spanning en niet de stroom de gemeenschappelijke grootheid is;
- de drie takstromen berekenen en vectorieel optellen tot de lijnstroom;
- het stroomvectordiagram tekenen voor de drie mogelijke gevallen;
- werken met geleiding G, susceptantie B en admittantie Y, en daaruit Z bepalen;
- de antiresonantievoorwaarde afleiden en fr = 1/(2π√(LC)) toepassen;
- verklaren waarom de kringstroom veel groter kan zijn dan de lijnstroom;
- de parallelketen herkennen als sperkring en het verschil met de serieketen benoemen.
01De spanning is nu de gemeenschappelijke grootheid
In de vier vorige lessen stond alles in serie. Er was geen knooppunt, dus liep overal dezelfde stroom, en die stroom was je referentievector. Zet je R, L en C naast elkaar, dan draait die hele redenering om.
Dit is dé denkfout van het hele blok. Wie in een parallelketen impedanties gaat optellen, komt gegarandeerd op een verkeerd antwoord uit. Z = R + XL − XC bestaat niet, en ook √(R² + (XL − XC)²) geldt hier niet.
Reken altijd eerst de stromen uit, tel die vectorieel op, en bepaal Z pas op het einde met Z = U / I.
02De drie takstromen
Elke tak ziet dezelfde spanning U. Je berekent de stroom in elke tak dus gewoon met de wet van Ohm, met de tegenwerking van die ene component.
De faseverschuivingen zijn precies dezelfde als in les 1 — ze zijn immers een eigenschap van de component, niet van de schakeling. Alleen kijk je nu naar de stroom die door elke tak vloeit in plaats van naar de spanning over elke component.
| Tak | Tegenwerking | Stroom | Stroom t.o.v. U | Zin in het diagram |
|---|---|---|---|---|
| R | R [Ω] | U / R | in fase | langs U |
| L | XL = 2πfL | U / XL | ijlt 90° na | naar beneden |
| C | XC = 1/(2πfC) | U / XC | ijlt 90° voor | naar boven |
03Het stroomvectordiagram
De opbouw verloopt in vier stappen, net als in les 2 — alleen is de referentie nu de spanning.
Stap 1. Teken U horizontaal naar rechts. Dat is je referentie.
Stap 2. Teken IR langs U, want die stroom is in fase.
Stap 3. Teken IL recht naar beneden en IC recht naar boven. Ze staan 180° uit fase, dus je trekt ze van elkaar af.
Stap 4. Tel wat overblijft vectorieel op bij IR. De schuine zijde is de lijnstroom I.
Waarom IL − IC en niet omgekeerd? In serie noteerde je XL − XC: een positief resultaat betekende inductief, en dus een stroom die naijlt. Om diezelfde afspraak hier te laten kloppen, schrijf je de blindstroom als IL − IC. Een positief resultaat betekent opnieuw: inductief, φ positief, stroom ijlt na.
Voor de grootte van I maakt de volgorde niets uit — je kwadrateert toch. Voor het teken van φ wel.
04De drie gevallen
| Voorwaarde | Karakter | φ | Z | Lijnstroom | Stroom t.o.v. U |
|---|---|---|---|---|---|
| IL > IC | inductief | positief | < R | > IR | ijlt na |
| IL = IC | resistief (antiresonantie) | 0° | = R, maximaal | = IR, minimaal | in fase |
| IL < IC | capacitief | negatief | < R | > IR | ijlt voor |
Let op de derde kolom. In een serieketen was Z bij resonantie minimaal; hier is Z bij antiresonantie juist maximaal. Dat is geen detail maar het hele verschil tussen een doorlaatkring en een sperkring.
05Geleiding, susceptantie en admittantie
Rekenen met R, XL en XC is in een parallelketen onhandig: je moet telkens delen. Daarom draaien we de grootheden om en werken we met hun omgekeerde.
Waarom dit werkt: deel de hele stroomdriehoek door de gemeenschappelijke spanning U en je krijgt een gelijkvormige driehoek met G, B en Y als zijden. Precies zoals je in les 2 de spanningsdriehoek door de stroom deelde om de impedantiedriehoek te krijgen.
06De goniometrische formules
Het teken van φ volgt rechtstreeks uit het teken van IL − IC. Reken je een positieve hoek uit terwijl IC de grootste was, dan zit er een fout in je berekening.
07Antiresonantie
Er is precies één frequentie waarbij IL en IC even groot zijn. De twee takstromen heffen elkaar dan volledig op en van de blindstroom blijft niets over. Dat heet antiresonantie, of parallelresonantie.
Dat is letterlijk dezelfde formule als bij de serieketen. De voorwaarde is immers ook dezelfde: XL = XC. Alleen de gevolgen zijn tegengesteld.
| Bij fr | Serieketen | Parallelketen |
|---|---|---|
| Z | minimaal, = R | maximaal, = R |
| Stroom | maximaal | minimaal |
| Bijzonderheid | overspanning over L en C | overstroom in de kring |
| Als filter | banddoorlaat | bandsper |
In werkelijkheid heeft elke spoel ook een ohmse draadweerstand. Daardoor ligt de echte antiresonantiefrequentie een fractie lager dan 1/(2π√(LC)), en zakt Z bij resonantie niet naar oneindig maar naar een eindige waarde. Voor een spoel met een behoorlijke kwaliteit is het verschil verwaarloosbaar.
08De kringstroom
Bij antiresonantie is de lijnstroom minimaal. Maar in de takken zelf loopt er wel degelijk stroom — en die kan vele malen groter zijn dan wat de bron levert.
Het mechanisme is eenvoudig: de condensator ontlaadt zich in de spoel, de spoel bouwt een magnetisch veld op, dat veld stort in en laadt de condensator weer op — met de andere polariteit. Die uitwisseling gebeurt volledig binnen de lus. De bron levert alleen wat er aan warmte verloren gaat.
Bij een Q van 22 loopt er in de spoel dus 22 keer meer stroom dan de bron levert. Dat is het exacte spiegelbeeld van de overspanningsfactor uit les 4.
Schendt dit de wetten van Kirchhoff? Nee. In het knooppunt geldt nog altijd dat de som van de stromen nul is — maar dan wel de vectoriële som. IL en IC zijn even groot en staan 180° uit fase, dus ze vallen tegen elkaar weg. Op elk ogenblik vloeit wat de ene tak opneemt de andere tak uit.
Praktisch gevolg: kies de doorsnede van je draad en het stroombereik van je zekering nooit op de lijnstroom als er een resonantiekring in het spel is. De componenten zelf zien een veel grotere stroom.
09De sperkring in de praktijk
Zet een parallelle LC-kring in serie met een verbruiker en je krijgt een bandsperfilter. Bij de resonantiefrequentie is de impedantie van die kring maximaal, dus juist die band raakt er niet door.
In de audiotechniek gebruik je dat om een piek weg te werken. Veel middentoners hebben rond hun eigen resonantiefrequentie, of bij het uiteenvallen van de conus, een oneffenheid in de frequentiekarakteristiek. Een sperkring die precies op die frequentie is afgestemd, haalt hem eruit zonder de rest van de band aan te tasten.
Dezelfde schakeling vind je terug als afstemkring in een radio-ontvanger: alle frequenties komen binnen op de antenne, maar alleen de ene waarop de kring is afgestemd levert een bruikbare spanning.
10Serie naast parallel
| RLC in serie | RLC in parallel | |
|---|---|---|
| Gemeenschappelijk | de stroom I | de spanning U |
| Referentievector | I | U |
| Wat je optelt | spanningen | stromen |
| Tegenwerking | Z = √(R² + (XL − XC)²) | Y = √(G² + (BL − BC)²), Z = 1/Y |
| tan φ | (XL − XC) / R | (IL − IC) / IR |
| Resonantie | fr = 1/(2π√(LC)) | fr = 1/(2π√(LC)) |
| Z bij fr | minimaal, = R | maximaal, = R |
| Verschijnsel | overspanning | overstroom |
| Als filter | banddoorlaat | bandsper |
11Oefeningen
Stramien: gegeven — gevraagd — formule — invullen mét eenheden — antwoord op 3 beduidende cijfers.
Basis
1. Een weerstand van 100 Ω, een spoel met XL = 50 Ω en een condensator met XC = 200 Ω staan parallel op 230 V. Bereken de drie takstromen.
Toon de uitwerking
Elke tak ziet dezelfde 230 V — dat is het hele voordeel van een parallelschakeling.
2. Bereken voor die keten de lijnstroom en de fasehoek. Is de kring inductief of capacitief?
Toon de uitwerking
Ib is positief, dus de kring is inductief: de stroom ijlt 56,3° na op de spanning.
3. Bereken de impedantie van die keten, op twee manieren.
Toon de uitwerking
Merk op dat Z kleiner is dan R. In een parallelketen kan de totale impedantie nooit groter zijn dan de kleinste tak — behalve precies bij antiresonantie.
Verdieping
4. Een spoel van 0,10 H en een condensator van 10 µF staan parallel. Bereken de antiresonantiefrequentie.
Toon de uitwerking
5. Bij die frequentie staat er ook een weerstand van 2,2 kΩ parallel, en de bron levert 24 V. Bereken de lijnstroom, de stroom door de spoel, de impedantie van het geheel en de stroomversterkingsfactor.
Toon de uitwerking
De spoel voert 22 keer meer stroom dan de bron levert.
6. Een weerstand van 470 Ω staat parallel met een condensator van 1,0 µF, op 12 V / 1,0 kHz. Bereken I, Z en φ.
Toon de uitwerking
Er is geen spoel, dus IL = 0 en de blindstroom is negatief: de kring is capacitief en de stroom ijlt 71,3° voor op de spanning.
Inzicht
7. De serieketen en de parallelketen hebben exact dezelfde formule voor fr. Toon aan waarom dat zo moet zijn, en leg uit waarom de gevolgen toch tegengesteld zijn.
Toon de uitwerking
Waarom dezelfde formule. In beide gevallen is de voorwaarde XL = XC. In serie volgt dat uit UL = UC (zelfde stroom door beide), in parallel uit IL = IC (zelfde spanning over beide). Beide voorwaarden leiden naar 2πfrL = 1/(2πfrC) en dus naar dezelfde fr.
Waarom tegengestelde gevolgen. In serie tel je de reactanties op: vallen ze tegen elkaar weg, dan blijft alleen R over en is Z minimaal. In parallel tel je de susceptanties op: vallen die tegen elkaar weg, dan blijft alleen G over, en G minimaal betekent Y minimaal, dus Z maximaal.
Kort: hetzelfde wegvallen, maar de ene keer in de teller en de andere keer in de noemer.
8. Een sperkring bestaat uit L = 1,0 mH en C = 4,7 µF in parallel, geplaatst in serie met een luidspreker van 8,0 Ω. Welke frequentie wordt geblokkeerd? En wat gebeurt er met een toon van 200 Hz?
Toon de uitwerking
Rond 2,32 kHz is de impedantie van de sperkring maximaal en komt er nauwelijks signaal bij de luidspreker.
Bij 200 Hz is XL = 2π·200·1,0·10⁻³ = 1,26 Ω — heel klein. De spoel vormt daar dus praktisch een kortsluiting over de kring, de sperkring stelt niets voor, en de toon van 200 Hz gaat zonder verzwakking door.
9. a) In les 4 kon UL tien keer de
bronspanning worden, hier kan IL tien keer de lijnstroom worden. Leg voor beide uit waarom
er geen enkele wet geschonden wordt.
b) Een reële spoel heeft draadweerstand. Redeneer — zonder te rekenen — of de echte
antiresonantiefrequentie daardoor hoger of lager komt te liggen dan 1/(2π√(LC)).
Toon de uitwerking
a) De spanningswet van Kirchhoff zegt dat de vectoriële som van de spanningen in een gesloten kring nul is, niet de rekenkundige som. UL en UC staan 180° uit fase en heffen elkaar op, hoe groot ze elk ook zijn. Voor de stroomwet in de parallelketen geldt precies hetzelfde: IL en IC zijn even groot en in tegenfase, dus hun som in het knooppunt is nul.
In beide gevallen wordt er ook geen energie uit het niets gehaald. De spoel en de condensator wisselen energie uit; ze verbruiken er netto geen.
b) De draadweerstand zit in serie met L en vertraagt de opbouw van de stroom in die tak. Daardoor is er een iets grotere zelfinductie-werking nodig om IL op IC te laten uitkomen, en dat gebeurt bij een lagere frequentie. De echte antiresonantiefrequentie ligt dus iets lager. Bovendien blijft Z bij resonantie eindig in plaats van oneindig, omdat de draadweerstand altijd wat vermogen blijft opnemen.
Vooruitblik
Je kent nu de vier basisketens: RL en RC in serie, en RLC in serie en in parallel. In de volgende lessen bouw je daarop verder met gemengde schakelingen, waarin je eerst een parallelgroep herleidt tot één vervangende impedantie en die daarna in serie verwerkt. De vuistregel blijft: kijk eerst welke grootheid gemeenschappelijk is, en kies je referentievector daarop.