Les 4 — De RLC-serieketen
- Vak
- Elektriciteit
- Klas
- 5TWE
- Leerplandoel
- LPD 17 / 39
- Onderdeel
- 4 van 8RLC-blok
Sluit een spoel, een condensator en een weerstand in serie aan op een bron van 2,0 volt, stel de juiste frequentie in en meet de spanning over de spoel: je leest 20 volt af. Tien keer meer dan de bron levert. Dat is geen meetfout en het schendt de wet van Kirchhoff niet — maar je moet deze les gezien hebben om te begrijpen waarom.
- het spanningsvectordiagram van een RLC-serieketen tekenen voor de drie mogelijke gevallen;
- Z, I, φ en de drie deelspanningen berekenen, met eenheden en het juiste teken van φ;
- uit XL en XC bepalen of een kring inductief, capacitief of resistief is;
- de resonantievoorwaarde XL = XC afleiden en daaruit fr = 1/(2π√(LC));
- verklaren waarom UL en UC groter kunnen zijn dan de bronspanning;
- de RLC-serieketen herkennen als banddoorlaatfilter en toepassen op de middentoner van een driewegbox.
01Twee vectoren die elkaar tegenwerken
In les 2 wees de reactieve vector omhoog, in les 3 omlaag. Zet je L en C samen in één kring, dan staan UL en UC dus 180° uit fase: recht tegenover elkaar. En vectoren in tegenfase tel je niet op — je trekt ze van elkaar af.
Alles wat je in de vorige twee lessen leerde blijft gelden; je vervangt gewoon de ene reactantie door dit verschil. De vier tekenstappen krijgen er één tussenstap bij: teken UL vanaf de kop van UR naar boven, en UC daarna vanaf de kop van UL naar beneden. Wat er tussen oorsprong en eindpunt overblijft, is de netto reactieve spanning.
02De drie gevallen
| Voorwaarde | Karakter | φ | Z | Stroom t.o.v. U |
|---|---|---|---|---|
| XL > XC | inductief | positief | > R | ijlt na |
| XL = XC | resistief (resonantie) | 0° | = R, minimaal | in fase |
| XL < XC | capacitief | negatief | > R | ijlt voor |
Let op: het karakter van een kring is geen eigenschap van de componenten maar van de frequentie. Eén en dezelfde RLC-keten is capacitief onder fr en inductief erboven.
03Spannings- en impedantiedriehoek
De spanningsdriehoek heeft nu als verticale zijde het verschil UL − UC. Deel weer elke zijde door de gemeenschappelijke stroom I en je krijgt de impedantiedriehoek — gelijkvormig, zoals altijd.
Twee fouten die hier altijd opduiken. De eerste is XL en XC optellen in plaats van aftrekken. De tweede is kwadrateren vóór het aftrekken: √(R² + XL² − XC²) is fout. Eerst het verschil maken, dan pas kwadrateren. Noteer de haakjes altijd expliciet.
04De goniometrische formules
Het teken van φ volgt rechtstreeks uit het teken van XL − XC. Reken je een positieve hoek uit terwijl XC de grootste was, dan zit er een fout in je berekening.
05Serieresonantie
Er is precies één frequentie waarbij XL en XC even groot zijn. Daar heffen ze elkaar volledig op en blijft er van de hele reactantie niets over. Dat verschijnsel heet serieresonantie.
De resonantiefrequentie
Merk op wat er niet in deze formule staat: R. De weerstand bepaalt niet wáár de resonantie ligt, alleen hoe scherp ze is. Twee kringen met dezelfde L en C resoneren op dezelfde frequentie, of er nu 1 Ω of 100 Ω in staat.
Wat er bij resonantie gebeurt
Bij resonantie is de kring dus, van buitenaf gezien, niet van een gewone weerstand te onderscheiden. Spoel en condensator zijn er wel degelijk — ze wisselen energie uit met elkáár in plaats van met de bron.
06Overspanning — 20 volt uit een bron van 2 volt
Hier komen we terug bij de meting uit de inleiding. Bij resonantie zijn UL en UC even groot en in tegenfase: opgeteld leveren ze nul, en dus klopt de spanningswet van Kirchhoff perfect. Maar elk afzonderlijk zijn ze X · I groot, en dat kan een veelvoud van de bronspanning zijn:
Die verhouding heet de overspanningsfactor. Voor de opstelling uit de inleiding — R = 10 Ω, L = 10 mH, C = 1,0 µF — ligt fr op 1,59 kHz en is XL = 100 Ω. De overspanningsfactor bedraagt dus 100/10 = 10, en een bron van 2,0 V levert 20 V over de spoel.
Kirchhoff wordt niet geschonden. De spanningswet geldt voor ogenblikkelijke waarden, en op elk ogenblik is uL = − uC: ze heffen elkaar exact op. Alleen de effectieve waarden mag je niet zomaar optellen — precies dezelfde denkfout als in les 1, nu in haar meest spectaculaire vorm.
In een installatie is dit geen curiositeit maar een reëel risico. Isolatie, condensatoren en meettoestellen zijn gedimensioneerd op de netspanning, niet op een veelvoud ervan. Een ongewild resonerende kring — bijvoorbeeld een compensatiecondensator samen met de zelfinductie van een lange kabel — kan daardoor componenten vernielen.
07Invloed van de frequentie
Een kleine weerstand levert een scherpe piek: de kring reageert dan sterk op één frequentie en nauwelijks op de andere. Dat noemen we selectiviteit, en het is precies wat je nodig hebt in een radio-afstemkring. Een grote weerstand vlakt de kromme af: de kring laat dan een bredere band door.
08De complexe schrijfwijze
In complexe vorm tel je de drie impedanties gewoon op, en het aftrekken gebeurt vanzelf via het teken van j:
De resonantievoorwaarde wordt zo wel heel elegant: het imaginaire deel van Z is nul. Voor R = 30 Ω, XL = 80 Ω en XC = 40 Ω krijg je Z = 30 + j·40 Ω = 50 ∠ 53,1° Ω. Het teken van de j-term is meteen je snelste controle: klopt het met wat je verwachtte op basis van de frequentie?
09De banddoorlaatfilter
De tweeter kreeg een condensator, de woofer een spoel. De middentoner moet allebei de uiteinden kwijt: geen bas én geen hoog. Zet daarom een condensator én een spoel in serie met de luidspreker — en dat is exact de RLC-serieketen van deze les.
De redenering volgt rechtstreeks uit de drie gevallen:
- Lage frequentie: XC is groot, Z is groot, er vloeit weinig stroom. De bas wordt tegengehouden.
- Hoge frequentie: XL is groot, Z is groot, opnieuw weinig stroom. Het hoog wordt tegengehouden.
- Rond fr: beide heffen elkaar op, Z zakt tot de 8 Ω van de luidspreker zelf, en de middentoner krijgt het volle signaal.
Een elegant verband. De onderste kantelfrequentie wordt door de condensator bepaald (1/(2πRC) = 500 Hz), de bovenste door de spoel (R/(2πL) = 3,0 kHz). De resonantiefrequentie ligt op √(500 · 3000) = 1225 Hz: het meetkundig gemiddelde van beide. Dat is geen toeval — je bewijst het in oefening 13.
10Samenvattend schema
| R | L | C | RL | RC | RLC | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Tegenwerking [Ω] | R | XL | XC | √(R²+XL²) | √(R²+XC²) | √(R²+(XL−XC)²) |
| Fasehoek φ | 0° | +90° | −90° | 0 … +90° | 0 … −90° | −90° … +90° |
| Stroom t.o.v. U | in fase | 90° na | 90° voor | φ na | φ voor | na, voor of in fase |
| Bij stijgende f | gelijk | XL stijgt | XC daalt | Z stijgt | Z daalt | Z daalt, dan stijgt |
| Als filter | — | — | — | laagdoorlaat | hoogdoorlaat | banddoorlaat |
| Complexe vorm | R | +j·XL | −j·XC | R+j·XL | R−j·XC | R+j·(XL−XC) |
| Bijzonderheid | — | — | — | — | — | resonantie bij XL=XC |
11Oefeningen
Bepaal bij elke oefening éérst of de kring inductief of capacitief is. Dat kost tien seconden en behoedt je voor de helft van de mogelijke fouten.
Basis
1. Een RLC-serieketen heeft R = 30 Ω, XL = 80 Ω en XC = 40 Ω. Bereken Z en φ, en zeg of de kring inductief of capacitief is.
Toon de uitwerking
2. Een RLC-serieketen heeft R = 40 Ω, XL = 30 Ω en XC = 60 Ω. Bereken Z en φ.
Toon de uitwerking
Dezelfde Z als in oefening 1, maar een heel ander gedrag. Z alleen zegt dus niets over het karakter van een kring — daarvoor moet je naar het teken van X kijken.
3. In een RLC-serieketen meet je UR = 80 V, UL = 150 V en UC = 90 V. Bereken de bronspanning en de fasehoek.
Toon de uitwerking
De drie deelspanningen tellen op tot 320 V, terwijl de bron er 100 levert. Wie dat vreemd vindt, moet §6 nog eens lezen.
4. Een spoel van 100 mH en een condensator van 10 µF staan in serie op 50 Hz. Bereken XL en XC, en bepaal het karakter van de kring bij die frequentie.
Toon de uitwerking
Ter controle: fr = 1/(2π√(0,100 · 10·10⁻⁶)) = 159 Hz. We zitten met 50 Hz ruim onder de resonantie, en daar overweegt inderdaad de condensator.
5. Bereken de resonantiefrequentie van een serieketen met L = 50 mH en C = 2,0 µF.
Toon de uitwerking
6. Een RL-serieketen heeft R = 20 Ω en XL = 50 Ω. Je schakelt er een condensator met XC = 30 Ω bij in serie. Wordt Z groter of kleiner? En kan Z ooit kleiner worden dan R?
Toon de uitwerking
Z wordt dus kleiner: de condensator neemt een deel van de inductieve reactantie weg. Maar Z = √(R² + X²) kan nooit kleiner worden dan R, want een kwadraat is nooit negatief. De ondergrens R wordt precies bereikt bij resonantie, wanneer X = 0.
Verdieping
7. Een weerstand van 12 Ω, een spoel van 60 mH en een condensator van 40 µF staan in serie op 230 V / 50 Hz. Bereken XL, XC, Z, I, φ en de drie deelspanningen. Bereken ook de resonantiefrequentie.
Toon de uitwerking
UC is met 296 V al groter dan de bronspanning, en we zitten nog niet eens in resonantie. Bij 103 Hz zou het veel erger worden.
8. Welke capaciteit moet je in serie met een spoel van 0,25 H plaatsen om resonantie te krijgen bij de netfrequentie van 50 Hz?
Toon de uitwerking
9. Een RLC-serieketen met R = 5,0 Ω is in resonantie op 230 V; op die frequentie is XL = XC = 150 Ω. Bereken I, UL en UC. Wat valt op?
Toon de uitwerking
Uit een bron van 230 V staat er bijna 7 kV over de spoel én over de condensator. Ze heffen elkaar op, dus de bron ziet alleen de 5 Ω — maar de componenten zelf ondergaan die 6,9 kV wel degelijk.
Ook de stroom van 46 A is een waarschuwing: bij serieresonantie is er praktisch niets meer dat de stroom begrenst behalve R. Een kring als deze zou je nooit ongelimiteerd op het net aansluiten.
10. Een RLC-serieketen werkt op een frequentie onder fr. Je verhoogt de frequentie geleidelijk tot boven fr. Beschrijf wat er met XL, XC, Z, I en φ gebeurt.
Toon de uitwerking
- XL stijgt voortdurend, XC daalt voortdurend.
- Onder fr overweegt XC: de kring is capacitief, φ is negatief. Naarmate f stijgt wordt het verschil kleiner, dus Z daalt en I stijgt.
- Op fr is X = 0: Z is minimaal en gelijk aan R, I is maximaal, φ = 0°.
- Boven fr overweegt XL: de kring wordt inductief, φ wordt positief, Z stijgt weer en I daalt.
De fasehoek doorloopt dus het hele bereik van bijna −90° tot bijna +90°, en passeert onderweg exact één keer door nul.
Inzicht
11. Leid de formule voor de resonantiefrequentie af uit de voorwaarde XL = XC. Toon vervolgens aan dat Z bij die frequentie werkelijk een minimum bereikt en niet zomaar een willekeurige waarde.
Toon de uitwerking
Dat Z daar minimaal is, volgt uit de vorm van de formule zelf:
R ligt vast, dus Z hangt alleen van X af. Omdat X² nooit negatief kan zijn, is Z het kleinst wanneer X² zijn kleinst mogelijke waarde aanneemt, en dat is nul. Dan blijft Z = √(R²) = R. Er is dus precies één minimum, en het valt samen met XL = XC.
Merk op dat R niet in de formule voor fr voorkomt. De weerstand bepaalt hoe diep en hoe scherp het minimum is, niet waar het ligt.
12. Een smoorspoel veroorzaakt een faseverschuiving van 55° tussen stroom en spanning. Na het in serie schakelen van een condensator van 8,0 µF ijlt de stroom nog 35° na op U. Bereken de weerstand en de zelfinductie van de smoorspoel; de frequentie bedraagt 60 Hz.
Toon de uitwerking
Controle: XL − XC = 650 − 332 = 318 Ω, dus tan φ = 318/455 = 0,700 en φ = 35,0° ✓ · De sleutel is dat R en XL in beide situaties dezelfde zijn — alleen de condensator komt erbij.
13. De middentonerfilter van een driewegbox: een middentoner van 8,0 Ω in serie met C = 39,8 µF en L = 0,424 mH.
a) Bereken fr.
b) Bereken Z bij 200 Hz, bij fr en bij 8,0 kHz.
c) De onderste kantelfrequentie wordt bepaald door de condensator, de bovenste door de spoel. Toon algemeen aan dat fr het meetkundig gemiddelde is van beide.
Toon de uitwerking
Aan beide uiteinden is Z zowat 2,7 keer groter dan bij resonantie, dus vloeit er 2,7 keer minder stroom. Het filter laat een band rond 1225 Hz door — precies het gebied waarin stemmen zitten.
c) De onderste kantelfrequentie is die van het RC-deel, de bovenste die van het RL-deel:
De R valt weg. De resonantiefrequentie van een banddoorlaatfilter is dus altijd het meetkundig gemiddelde van de twee kantelfrequenties, ongeacht de impedantie van de luidspreker. Controle: √(500 · 3000) = 1225 Hz ✓
Video en simulatie
- PhET — Circuit Construction Kit: AC, Virtual Lab. Bouw R, L en C in serie en zoek de frequentie waarbij de stroom maximaal is.
- Vectordiagrammen uitgelegd — TU Delft, Nederlands.
- Spoel en condensator bij lage en hoge frequentie — TU Delft, Nederlands.
- Het signaal naar de juiste luidspreker sturen — TU Delft, Nederlands.
- Interactief tekstboek Elektriciteit en Magnetisme, hoofdstuk 9 — TU Delft, CC BY-SA.
Vooruitblik
De volgende lesuren van dit onderdeel gaan dieper op de resonantiekromme in: je stelt de frequentiekarakteristiek zelf op in Excel en werkt met de overspanningsfactor, de bandbreedte en de selectiviteit van een kring.
Daarna volgt de RLC-parallelketen. Let daar goed op: in een parallelketen is niet de stroom maar de spanning de gemeenschappelijke grootheid, en tel je de stromen vectorieel op in plaats van de impedanties. Dat is de meest gemaakte denkfout van het hele blok — wie hier blindelings Z-formules blijft optellen, loopt gegarandeerd vast.