Naar de inhoud
Cursus TWE — Gelijkstroomkringen Onderdeel 01

Wat is elektriciteit?

Vak
Elektriciteit
Klas
5TWE
Hoofdstuk
Gelijkstroomkringen
Onderdeel
01 van 10

Je doet een schakelaar om en het licht gaat aan. Tussen die twee gebeurt er iets wat je niet kunt zien, niet kunt horen en niet kunt ruiken. Toch gehoorzaamt het aan regels die je binnen één les kunt begrijpen — en die de rest van dit hoofdstuk dragen.

Na dit onderdeel kun je
  • uitleggen wat elektrische lading is en welke deeltjes ze dragen;
  • het verschil tussen stroom, spanning en weerstand in eigen woorden geven;
  • de vergelijking met een watercircuit correct toepassen én de grenzen ervan benoemen;
  • geleiders van isolatoren onderscheiden en uitleggen waarom ze verschillen;
  • verklaren waarom een kring gesloten moet zijn voor er stroom vloeit.

Startpunt

Denk aan een centrale verwarming. Een pomp duwt water rond, door leidingen, langs een radiator en terug. De pomp maakt druk. Door die druk gaat er water stromen. De radiator laat het water maar moeizaam door — dat is weerstand.

Elektriciteit werkt net zo. De bron maakt spanning, door die spanning gaat er stroom lopen, en de verbruiker biedt weerstand. Als je die drie woorden aan pomp, debiet en vernauwing kunt koppelen, heb je de helft van dit hoofdstuk al beet.

01Lading: waar alles mee begint

Alle materie bestaat uit atomen. In de kern zitten protonen met een positieve lading; daaromheen bewegen elektronen met een even grote negatieve lading. In een gewoon atoom zijn er evenveel van beide, en dan is het atoom naar buiten toe neutraal.

lading symbool Q eenheid coulomb (C) elementaire lading : e = 1,602 · 10⁻¹⁹ C

Eén coulomb is een enorme hoeveelheid: ruim zes triljoen elektronen. Je zult in dit vak dan ook zelden met hele coulombs rekenen.

02Stroom: lading die beweegt

In een metaal zitten de atoomkernen vast in een rooster, maar de buitenste elektronen zijn vrij: ze dwalen willekeurig rond. Zolang dat dwalen willekeurig is, gebeurt er niets nuttigs. Zodra je ze allemaal dezelfde kant op duwt, heb je stroom.

Elektrische stroom is de geordende verplaatsing van ladingdragers door een geleider. I = Q / t [A] I stroomsterkte ampère [A] Q verplaatste lading coulomb [C] t tijd seconde [s]

Eén ampère betekent dus: er passeert één coulomb per seconde door een doorsnede van de draad.

De elektronen zelf gaan tergend traag. In een gewone huisdraad schuiven ze met minder dan een millimeter per seconde vooruit. Toch gaat je lamp meteen aan. Vergelijk het met een volle tuinslang: je draait de kraan open en er komt vrijwel onmiddellijk water uit het uiteinde, ook al heeft dat water van bij de kraan die afstand nog lang niet afgelegd. Het duwtje plant zich met bijna de lichtsnelheid voort, de ladingdragers zelf niet.

03Spanning: de duw

Elektronen gaan niet uit zichzelf lopen. Er moet iets zijn dat ze duwt, en dat is de spanningsbron. Die zorgt voor een overschot aan elektronen aan de ene pool en een tekort aan de andere. Dat verschil heet spanning.

Spanning is het verschil in elektrische toestand tussen twee punten. U = W / Q [V] U spanning volt [V] W arbeid joule [J] Q lading coulomb [C]

Spanning bestaat dus altijd tussen twee punten. De vraag "hoeveel volt staat er op dat draadje?" is onvolledig — je moet erbij zeggen: ten opzichte waarvan.

04De vergelijking met water

Zet de twee naast elkaar en de begrippen vallen op hun plaats.

WatercircuitPpompvernauwingdebietpomp → druk → debietElektrische kring+−bronweerstandstroombron → spanning → stroom
Fig. 01Het watercircuit naast de elektrische kring: pomp en bron, debiet en stroom.
WatercircuitElektrische kringSymbool
pompspanningsbronU
druk(verschil)spanningU
debietstroomsterkteI
vernauwing in de leidingweerstandR
hoeveelheid waterladingQ
gesloten leidingnetgesloten stroomkring—

Waar de vergelijking mank loopt. Water kun je opvangen in een emmer; lading niet. Een leiding kun je laten leeglopen; een draad niet. En het belangrijkste: bij een lek spuit het water eruit, terwijl een onderbroken draad gewoon niets meer doet.

Gebruik het beeld dus om te begrijpen, nooit om te bewijzen. Vanaf de wet van Ohm reken je met de echte grootheden.

05Geleiders en isolatoren

Of een stof stroom doorlaat, hangt af van één ding: zijn er vrije ladingdragers of niet.

++++++vrije elektronen verplaatsen zichGeleiderelektronen kunnen bewegen++++++geen vrije ladingdragersIsolatorelektronen zitten vast
Fig. 02Verschil tussen een geleider en een isolator.
GeleiderIsolator
Vrije elektronenveelvrijwel geen
Weerstandzeer kleinzeer groot
Voorbeeldenkoper, aluminium, zilver, goudPVC, rubber, glas, droge lucht, porselein
Gebruikde draadkernde mantel eromheen

Daartussen liggen de halfgeleiders, zoals silicium en germanium. Die geleiden pas onder bepaalde voorwaarden, en dat is precies waarom je er een diode of een transistor mee kunt maken. Dat komt in de elektronica aan bod.

06De kring moet gesloten zijn

Elektronen kunnen niet zomaar ergens ophopen. Voor elk elektron dat de bron aan de ene kant verlaat, moet er aan de andere kant één terugkomen. Daarom werkt een lamp alleen als er een volledige weg is: van de bron, door de geleiders en de verbruiker, en terug naar de bron.

Geen gesloten kring ⇒ geen stroom. Een open schakelaar, een doorgebrande zekering of een gebroken draad onderbreekt de kring — en dan staat alles stil.

07De zin van de stroom

Hier zit een historische valkuil. Lang voor men wist dat elektronen bestonden, sprak men al af dat de stroom van plus naar min loopt. Later bleek dat de elektronen precies de andere kant op bewegen.

VanNaarGebruik je bij
Conventionele zin+−alle schema's en berekeningen
Werkelijke elektronenstroom−+uitleg op deeltjesniveau

De afspraak is nooit veranderd, en dat hoeft ook niet: voor elke berekening maakt het geen verschil. Reken altijd met de conventionele zin, van plus naar min.

08Oefeningen

Stramien: gegeven — gevraagd — formule — invullen mét eenheden — antwoord op drie beduidende cijfers.

Basis

1.  Door een geleider passeert 24 C in 8,0 s. Bereken de stroomsterkte.

Toon de uitwerking
I = Q / t = 24 / 8,0 = 3,0 A

Let op de eenheden: coulomb gedeeld door seconde geeft ampère. Dat is niet toevallig — zo is de ampère gedefinieerd.

2.  Er loopt een stroom van 2,5 A gedurende 4,0 minuten. Hoeveel lading is er verplaatst?

Toon de uitwerking
eerst de tijd in seconden : t = 4,0 · 60 = 240 s Q = I · t = 2,5 · 240 = 600 C

De minuten omrekenen is hier de hele oefening. Wie 4,0 invult in plaats van 240 komt zestig keer te laag uit.

3.  Zeg van elk materiaal of het een geleider of een isolator is: koper, PVC, aluminium, porselein, zilver, droge lucht.

Toon de uitwerking
geleiders : koper, aluminium, zilver isolatoren : PVC, porselein, droge lucht

De vuistregel: metalen geleiden, kunststoffen en keramiek niet. Merk op dat er droge lucht staat — vochtige lucht geleidt wél een beetje, en daarom werkt een hoogspanningsinstallatie anders bij mist.

Verdieping

4.  Bereken hoeveel elektronen er per seconde door een draad gaan bij een stroom van 1,0 A.

Toon de uitwerking
Q = I · t = 1,0 · 1,0 = 1,0 C n = Q / e = 1,0 / 1,602·10⁻¹⁹ = 6,24·10¹⁸ elektronen

Ruim zes triljoen per seconde, voor een stroom die een gewone ledlamp voedt. Dat getal maakt meteen duidelijk waarom we met coulombs rekenen en niet met losse elektronen.

5.  Een lamp brandt 3,0 uur op een stroom van 0,26 A. Bereken de verplaatste lading, en daarna het aantal elektronen.

Toon de uitwerking
t = 3,0 · 3600 = 10 800 s Q = I · t = 0,26 · 10 800 = 2808 C ≈ 2,8·10³ C n = 2808 / 1,602·10⁻¹⁹ = 1,75·10²² elektronen

6.  Waarom gaat een lamp meteen branden als je de schakelaar omzet, terwijl de elektronen zelf maar enkele millimeters per seconde vooruitkomen?

Toon de uitwerking

Omdat de draad al helemaal vol zit met vrije elektronen, ook voor je de schakelaar omzet. Je hoeft er dus geen nieuwe naartoe te sturen.

Zodra de kring sluit, plant het elektrische veld zich met bijna de lichtsnelheid door de hele draad voort. Overal tegelijk beginnen de aanwezige elektronen te schuiven — ook die in de lamp zelf. De lamp wacht dus niet tot er elektronen "aangekomen" zijn; de zijne komen meteen in beweging.

Vergelijk het met een volle tuinslang: je draait de kraan open en er komt bijna onmiddellijk water uit, hoewel dat water er al in zat.

Inzicht

7.  Een vogel zit op een hoogspanningsdraad van 150 kV en er gebeurt niets. Een mens die diezelfde draad aanraakt terwijl hij op een ladder staat, is op slag dood. Verklaar het verschil met wat je in dit onderdeel geleerd hebt.

Toon de uitwerking

Spanning bestaat altijd tussen twee punten. De vogel raakt met beide poten dezelfde draad aan. Tussen die twee punten zit maar een paar centimeter koper met een verwaarloosbare weerstand, dus het spanningsverschil is nagenoeg nul. Zonder spanningsverschil geen stroom.

De mens op de ladder raakt de draad aan en staat via de ladder in verbinding met de aarde. Tussen zijn hand en zijn voeten staat dan de volle 150 kV. Nu is er wél een spanningsverschil, er is een gesloten weg naar de aarde, en er loopt stroom — door zijn lichaam.

Niet de spanning op de draad doodt hem, maar het feit dat hij deel wordt van een gesloten kring. Diezelfde vogel gaat wél dood als hij met één vleugel een tweede draad raakt.

8.  De watervergelijking uit §4 helpt, maar ze klopt niet overal. Geef twee situaties waarin het beeld je op het verkeerde been zet, en leg uit wat er in werkelijkheid gebeurt.

Toon de uitwerking

Een lek in de leiding. Prik je een waterleiding lek, dan spuit het water eruit en loopt het systeem leeg. Breek je een draad, dan gebeurt er precies niets: er valt geen lading uit de draad. De kring is alleen open, en dan staat alles stil.

Water opvangen. Je kunt een emmer water onder de kraan zetten en die apart bewaren. Lading kun je niet zomaar aftappen en in een doos bewaren — ze moet altijd terug naar de bron, anders stopt de stroom. Een condensator lijkt een uitzondering, maar die slaat lading tijdelijk op en geeft ze weer terug.

Een derde verschil, voor wie verder wil kijken: water valt naar beneden door de zwaartekracht, ook zonder pomp. Een elektrische kring kent geen equivalent van "naar beneden" — zonder bron gebeurt er niets.

Vooruitblik

Je kent nu de drie hoofdrolspelers: lading, stroom en spanning. Wat nog ontbreekt is precisie — hoe je ze meet, met welke eenheden je rekent en hoe je de voorvoegsels milli, kilo en mega correct gebruikt. Dat is het volgende onderdeel.